Vrijwel alle volwassenen (60-90%) hebben wel eens te maken met lage rugpijn. Als de klachten minder dan een maand bestaan, spreekt men van acute lage rugpijn. Bij een duur van 1 tot 3 maanden spreekt men van subacute lage rugpijn. Wanneer de klachten langer dan drie maanden bestaan, spreken we van chronisch lage rugpijn. Van de mensen die acute lage rugpijn krijgen, is bij de helft de pijn binnen een week weer over en bij 95% is die pijn binnen 3 maanden weer voorbij. Op zich is de prognose van acute en subacute lage rugpijn gunstig, zij het dat bij de meerderheid van de patiënten de pijn ook wel eens recidiveert. Bij minder dan 5% van de mensen met lage rugpijn is er een specifieke oorzaak aan te wijzen. Dit kan bijvoorbeeld een hernia zijn of een forse verschuiving van de wervels ten opzichte van elkaar. Bij de overgrote meerderheid van patiënten met chronisch lage rugpijn is geen duidelijk oorzaak aan te wijzen. Men spreekt dan ook van aspecifieke lage rugpijn. Vaak is er wel op en Röntgen foto, een CT-scan of een MRI-scan te zien dat er "slijtage" verschijnselen zijn (degeneratieve afwijkingen). Pijn uitgaande van de nekwervels komt relatief veel voor. Alleen chronisch lage rugpijn komt nog vaker voor. Zoals de meeste chronische pijnsyndromen kan men deze op verschillende manieren behandelen: met geneesmiddelen, ondersteunend (fysiotherapie/TENS), invasief (priktechnieken) en door middel van revalidatie en/of gedragstherapie. Bij cervicobrachialgie gaat de pijn uit van de onderste nekwervels terwijl bij cervicogene hoofdpijn juist de bovenste nekwervels betrokken zijn.